Je hoort het clubbestuurders vaak zeggen: ‘We hebben een eenzijdige optie… en die gaan we lichten’. Bedoeld wordt een beding dat men regelmatig tegenkomt in de arbeidsovereenkomst van voetballers. Deze optie houdt in dat de speler via zijn arbeidsovereenkomst de club eenzijdig de mogelijkheid geeft om de verbintenis met hem te verlengen.

Het lichten van de eenzijdige optie verschilt wezenlijk van de normale contractsverlenging. Zo is de toestemming van de speler op het moment van het lichten van de optie niet meer relevant, terwijl bij een normale contractsverlenging de instemming op dat moment wel een vereiste is. Bij het eenzijdige optiebeding is deze toestemming al – vooraf – gegeven bij het tekenen van de eerste – oorspronkelijke – arbeidsovereenkomst waarin de optie is opgenomen. Een ander belangrijk verschil is dat er in het geval van de eenzijdige optie geen onderhandelingen meer hoeven plaats te vinden. De voorwaarden die van toepassing zijn in de “optiejaren” zijn immers reeds vastgelegd in het contract waarin de eenzijdige optie is opgenomen.

Voor een club is een eenzijdige optie in een arbeidsovereenkomst over het algemeen zeer gunstig. Het geven van een langdurig contract aan een speler is – vooral financieel gezien – een groot risico. Een speler is minder goed dan verwacht, is continu geblesseerd of vertoont slecht gedrag. Door de speler een relatief kort contract aan te bieden – maar wel met een eenzijdige optie – kan men bij dergelijke slechte prestaties relatief snel van de speler af, terwijl de speler bij goede prestaties met één pennenstreek langer aan de club gebonden kan worden. Voor de voetbalclub dus een ideale constructie.

Ondanks het feit dat de eenzijdige optie – vooral in Nederland – een regelmatig terugkerend fenomeen is, worden er in de juridische literatuur bezwaren aangevoerd tegen de toepassing ervan. Zo stelt men dat de eenzijdige optie mogelijk in strijd is met de geest van het Bosman-arrest. Dit arrest zorgde ervoor dat spelers na afloop van het arbeidscontract niet meer gebonden waren aan de club en daardoor gratis naar een andere club konden. Volgens de critici zou de eenzijdige optie het oude transfersysteem – dat gold voor het Bosman-arrest – weer terugbrengen. Spelers zouden ondanks het “aflopen” van het contract nog steeds aan de club gebonden zijn. Daarnaast stellen de critici ook dat het eenzijdige optiebeding een verkapte mogelijkheid is voor de club om eenzijdig de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De vraag is daarom aan de orde: Is een eenzijdige optie überhaupt wel toegestaan?

Een zaak die licht werpt op deze vraag is de zaak Trabelsi/Ajax uit 2004. Hatem Trabelsi was een Tunesische rechtsback die in 2001 van CS Sfaxien (Tunesië) werd getransfereerd naar Ajax. Gezien het feit Trabelsi zich nog niet op het hoogste niveau had bewezen, durfde Ajax het niet aan om een langdurige verbintenis met hem aan te gaan. Derhalve werd in het contract een eenzijdige optie opgenomen die het contract met twee jaar zou kunnen verlengen. Toen Ajax na enkele jaren aangaf de optie te lichten, wilde Trabelsi deze optie aanvechten. Hij was inmiddels één van de dragende spelers geworden en stond in de belangstelling van vele grote Europese clubs. Een verlenging door de eenzijdige optie van zijn contract zou er voor zorgen dat hij ‘te duur’ zou worden voor veel clubs, waardoor een grote transfer een moeilijk verhaal zou worden.

Trabelsi spande daarom een arbitragezaak aan bij de KNVB in Zeist. Het College van Arbiters stelde hem echter in het ongelijk. De eenzijdige optie in het contract was feitelijk niet in strijd met het Bosman-arrest, stelde men. Daarnaast was de eenzijdige optie niet in strijd met het Nederlandse ontslagrecht, omdat het beding niet de mogelijkheid gaf de arbeidsovereenkomst eenzijdig te beëindigen, maar juist te verlengen. De eenzijdige optie in het contract was dus geldig.

Ondanks deze conclusie van de arbitragecommissie van de KNVB kunnen clubs er niet zonder meer vanuit gaan dat een eenzijdige optie in elke vorm is toegestaan. De Dispute Resolution Chamber (DRC) van de FIFA en het Court Arbitration of Sport (CAS), belangrijke arbitragecommissies in het voetbal, hebben hiervoor richtlijnen gegeven. Zo heeft de DRC een vijftal normen geformuleerd waaraan een eenzijdige optie moet voldoen. Het gaat om de volgende vereisten:

de maximale duur van de overeenkomst mag niet excessief zijn. De totale duur van de overeenkomst mag niet langer dan vijf jaar zijn. Ook mogen de optiejaren niet langer duren dan de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst. Een contract van twee jaar, mag dus geen drie optiejaren bevatten;
de club moet de speler tijdig aangeven dat de optie gelicht wordt. In Nederland houdt dat in dat in de mededeling aan de speler voor 1 april van het laatste contractjaar moet plaatsvinden;
de arbeidsvoorwaarden – inclusief salaris – in de optiejaren moeten zijn vastgelegd in de arbeidsovereenkomst waarin de eenzijdige optie staat vermeld;
er moet sprake zijn van een substantiële salarisverhoging. Men gaat hierbij uit van een minimale salarisverbetering van 25% na het lichten van de optie;
de eenzijdige optie moet duidelijk in de arbeidsovereenkomst zijn opgenomen, zodat er
geen onduidelijkheid kan bestaan over het bestaan ervan.
Conclusie: een speler is niet altijd is gebonden aan de eenzijdige optie die in de arbeidsovereenkomst is opgenomen. De clubs moeten zich minimaal aan de vijf bovenstaande vereisten houden. Daarnaast houden de arbitragecommissies ook rekening met de omstandigheden van het geval: was er sprake van een ongelijke onderhandelingspositie? Is er sprake van misbruik van omstandigheden? Wanneer roept de speler de ongeldigheid van het beding in? Kortom, clubs kunnen zich op het gebied van de eenzijdige opties niet alles veroorloven. Voor sommige talentvolle spelers in de Eredivisie wellicht een opluchting en voor clubbestuurders mogelijk een zorg.

Royce de Vries